(hoi mensen die mij net zijn gaan volgen en alle oude mensen die mij nog steeds volgen. ik post hier niet meer, ik schrijf nu hier :))

Kamelenlevens

Met een boos gezicht keek ik naar buiten van achter mijn treinraampje. Dertig minuten waren dikke herfstdruppels het enige wat ik gezien had, ze kriebelden over het vieze treinraam en verpestten mijn uitzicht. 
De kamelen stonden er weer, ontdekte ik na vijfendertig minuten. Door het raam kon ik ze duidelijk zien, hun koppen naar het gras gebogen en de bulten bedekten hun bruine rug. Ze wiebelden wat door het weiland, alsof ze de hele dag niks anders te doen hadden dan door een weiland wiebelen.
Het boze van eerst veranderde in jaloezie.
Was ik maar een kameel.
Zonder tentamenweken en honger in alleen maar heel veel pizza’s, twee dingen die mijn menselijke leven kenmerken. Kamelen zijn tevreden met gras. Ik niet.

Langs de luchten

En laatst kocht ik een kerstboom, die zette ik in mijn zwembad neer en ik liet alle ballen vallen. Ze maakten plonsjes in het glinsterende water en ik dreef er maar wat tussen op mijn luchtbed. De ballen, in duizend kleuren, speelden met het zonlicht, weerkaatsten strepen en zwommen rond.
Het was pas mei.

(142)

Maar nooit word ik
bedolven onder golven
tot ik niet meer bovenkom

Watervallen van de donkere najaarsnachten

Mijn voeten spelen met het warme water alsof ze regenlaarzen zijn op een koude, verdwaalde herfstdag. Wanneer het water kletterend neerkomt op de douchevloer zorgt het wiebelen van mijn tenen ervoor dat het weer omhoog spat en vermengd wordt met de nieuwe druppels.
Ik leg mijn hoofd in mijn nek en hou de sproeier boven mijn hoofd, laat het warme water over mijn gezicht lopen en ril even. De druppels glijden over mijn huid, als watervallen door de kuiltjes in mijn schouders, langs mijn borsten over mijn buik en benen naar beneden. Raken de vloer, en spatten weer omhoog.
En misschien wilde ik ook alleen maar dat je zag hoe breekbaar ik was, dat je je best deed om mij heel te houden en samen met mij te leven in de donkere nachten tussen onze werelden in. Maar zo was het niet, zo was het nooit. En misschien moet ik gewoon opgeven en alles laten gaan.
Terwijl de watervallen langs mijn lichaam lopen besluit ik dat ik niemand nodig heb om gelukkig te zijn. Volgende week koop ik een grijze, langharige, perzische babykat waarmee ik kan wandelen door het park en ik ga boeken schrijven omdat ik mijn verhalen aan iemand wil vertellen.’s Nachts ren ik duizend rondjes in mijn eentje om de fontein terwijl de sterren en de lantaarnpalen nog de enige lichtpuntjes in de wereld zijn en laat val ik in slaap nadat ik eerst nog naar the Cure moet luisteren. Dan komt alles goed.
Het zou best fijn zijn als het allemaal zo kon en zo simpel was, en ik niemand nodig had om tegen te schreeuwen dat ik om die persoon geef of iemand om levens te tekenen op mijn lichaam als ik wil dat iemand levens tekent op mijn lichaam.
Watervallen verdampen, vormen wolken van gedachten en sproeien samen met de laatste druppels uit de sproeier een klein beetje liefde over mij heen.

(voor hier)

VI

Ik liet jouw handen glijden over plaatsen waar nog nooit eerder iemand geweest was. Je lippen deden mee, maakten dansjes over mijn huid. Aanrakingen langs de kleine velden van mijn lichaam, langs de koude huid en al mijn breekbaarheid.
Huiveringen door jouw woorden en ik gaf me over.

139

Mis me dan,
als je durft.

Augustus

Lachend nam ik een aanloop en sprong in het koude water.
Omringd door bomen en een bos lag ons meer op een verstopt plekje. Op wat kwetterende vogels, het geluid van gelukkige mensen en af en toe geplons in het water na was het muisstil.
We waren alleen. Jij, ik en de stilte. En het geluid van de stilte was op sommige momenten misschien nog wel meer overheersend dan je je voor zou kunnen stellen.
Terwijl ik ronddreef in het zachte water, zag ik jou op de waterkant lachend naar mij kijken. Hoe ik daar op mijn rug lag en het water kringetjes om mij heen vormde. Hoe datzelfde water mijn bh doorweekt had gemaakt en mijn onderbroek rond mijn lichaam liet plakken. Mijn natte haar rond mijn schouders en wiebelende tenen net boven het wateroppervlak uit. Je keek en je bleef kijken, terwijl je ogen lachten alsof ze de wonderen van de wereld ontdekten.
De bomen waren zo hoog dat ze bogen vormden, bogen over het meer heen. Bogen waar kleine zonnestralen door naar beneden vielen, dansend met de kringen die mijn bewegingen maakten.
Het waren de krakende takjes, de ritselende lentebladeren die verraadden dat jij eraan kwam. In je onderbroek liep je naar het water toe en met een sprong kwam je naast mij terecht. Na even wat rondgezwommen te hebben dreef je naast mij.
Op je rug, terwijl jouw hand zocht naar de mijne.

23:23

Niks

136.

En ik was een boom en wilde mijn takken om jou heen laten groeien. Takken als armen om jouw lichaam.